Pagina's

Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen

zaterdag 20 maart 2010

Writer's block of blog

Dag!

Het bijhouden van een blog is nog niet zo eenvoudig...... je begint vol enthousiasme. Je bent bereid om je hele hebben en houden het net op te gooien. Je weet waarom je het doet, wat je wilt bereiken en je bent ervan overtuigd dat er elke dag wel iets zal gebeuren wat je wilt toevertrouwen aan dit mooie medium. En in het begin werkt het ook zo. Je kunt bijna niet wachten tot je weer achter je laptop mag kruipen om iets ontzettend belangrijks aan de rest van de wereld toe te vertrouwen. Mijn thema was helder: Amitie in Style!

Je krijgt goeie reacties en veel mensen vinden het leuk om je verhalen te lezen.

Maar na een tijdje realiseer je je dat alles wat je opschrijft ergens op het internet terecht komt. Je wordt kritisch want wie leest wat en wat wil je dat er door wie gelezen wordt! En ook weet je dat je wel overal makkelijk kritiek op kunt leveren maar dat als je van anderen oplossingen verwacht, je daar zelf ook mee moet komen!

Je bedenkt je ook ineens dat je blogs wel ergens over moeten gaan. Er moet toch een soort rode draad in zitten. Tenminste zo werkt dat voor mij. Anders heb ik het gevoel dat ik maar wat in het wilde weg zit te typen. Natuurlijk kunnen er een aantal rode draden naast elkaar lopen maar dan wil je dat wel duidelijk maken in je blog. Zodat niet alleen jij, maar ook de rest van de wereld een beetje begrijpt waar je het over hebt. En last but not least wil je ook nog origineel zijn en veel gelezen worden.

Zelf zou ik mijn blog ook willen gebruiken om rond een aantal thema's een stuk verdieping te realiseren zodat je ook zelf op zoek moet gaan naar nieuwe informatie om de toegevoegde waarde van je blogs verder te vergroten.

Kortom ook nu weer ben je veeleisend voor jezelf en voor de lezer. En voor mij geldt dan ook nog, ik heb deadlines nodig! Ja, ik geef het toe. Ik heb een stok achter de deur nodig. Iemand moet tegen mij zeggen, elke vrijdagmiddag om vier uur moet je nieuwe blog online staan omdat je dat nu eenmaal hebt afgesproken, omdat er mensen op zitten te wachten of omdat je blog ergens gepubliceerd moet worden. Ik heb dat nodig om mezelf er toe te dwingen om mijn verhalen met de rest van de wereld te delen. Terwijl ik het wel erg leuk vind om te doen.

Volgens mij is dit weer een mooi voorbeeld van hoe ik in elkaar zit, tsja, dat heb ik dan maar weer met jullie gedeeld. Nu ja, jullie zullen het er mee moeten doen. En ik, ik ga de komende weken eens diep nadenken over doel en inhoud van mijn blogs. Focus dus!!!!

Wordt het thema fashion, politiek, dat wat er in de wereld gebeurt, mijn eigen persoonlijke belevenissen, mijn ambities, zoveel dingen om over te schrijven! Nu nog kiezen! Weg met dat writer's block.... ik wil weer verlangen naar mijn laptop!

Natuurlijk kun je me ook altijd benaderen om voor jouw site of ander medium blogs of columns te schrijven. Immers, wie niet waagt wie zeker niet wint.

Tot gauw,

Jellie

dinsdag 20 oktober 2009

Fashionstory: een lichtblauwe zonnejurk

Lieve lezer,

Een liefde begint maar één keer!

Een lichtblauwe zonnejurk


Zuid Spanje is nog steeds heet in september. Toch merk je dat de zomer over haar hoogtepunt heen is. Het is broeierig warm maar het kan ineens donker worden en voor je het weet loop je midden in een bijna tropische regenbui. Nog geen tien minuten later staat de zon dan weer stralend aan de hemel. Dwalend door steden als Cordoba, Granada en Sevilla kies ik toch voor super zomerse outfits en laat me verrassen.


Elke stad die ik bezoek is anders. Granada is werelds, elegant en modern. Ruim opgezette avenida´s, grote warenhuizen, paleizen met gigantische tuincomplexen waar je eeuwen terug in de tijd waant. Cordoba wordt gedomineerd door een kerk die rond een moskee is gebouwd, een goed voorbeeld van hoe respectloos mensen al eeuwenlang met elkaar omgaan als het gaat om religie. Deze stad maakt me weemoedig. Als laatste reis ik door naar Sevilla. De stad van Carmen, de Joodse wijk, de wereldtentoonstelling, de kleine nauwe straatjes waar je kunt verdwalen en de sinaasappellikeur Pacharan die thuis nooit meer zo lekker was als daar.

Ik was daar niet alleen. Een culturele rondreis door Zuid Spanje had ik geboekt. De tweede keer dat ik alleen op reis ging. Deze keer met een groep. Het was geen leuke groep. Maar er waren gelukkig een aantal mensen waarmee ik het wel goed kon vinden. Elke avond zaten we tot laat op een terras. Tapas eten, wijn drinken en veel praten. Alles om maar zo weinig mogelijk op je hotelkamer te hoeven zijn. Want ik kan je verzekeren, de hotels en de gezamenlijke maaltijden leverden geen bijdrage aan de fantastische culturele ervaring die deze reis moet worden volgens de touroperator. Bovendien was het de manier om in contact te komen met de inwoners van de plaatsen die we bezochten. Met wat Engels en een paar Spaans woorden probeerden we te achterhalen hoe het moest zijn om te wonen in een stad waar je acht maanden per jaar tot diep in de nacht kon genieten het echte stadsleven.


Vaak bleven we met ons drieën over. Twee vrouwen en een man. Drie mensen met totaal verschillende carrières, achtergronden en visies op het leven. En toch voelde het goed. Met haar heb ik de hele week leuke maar oppervlakkige gesprekken gevoerd, zoals je dat doet met mensen die je net kent en waarvan je weet dat je ze na de vakantie niet weer zult zien. Met hem was het anders, we hadden de eerste dag al een lang gesprek gehad. En dat nadat hij mij had gered uit een voor mij ontzettend lastige situatie. Zoals altijd was ik van menig dat ik alles moest kunnen, dus natuurlijk kon ik die wandeling door het rotsachtige natuurpark bij Malaga maken. En dat terwijl ik mijn hele leven al geen perspectief kan zien door een oogafwijking. Voor mij waren alle rotsen dus even plat en lagen ze gelijkmatig naast elkaar net als een gewoon Nederlands trottoir. Dat bleek dus niet zo te zijn. Na een uur ploeteren was ik gaan zitten met in mijn hoofd maar een gedachte: als ik hier weg moet komen ze maar halen. En ik werd gehaald, door mijn nog onbekende reisgenoot. Samen met hem, met zijn hand in de mijne, heb ik de wandeling afgemaakt. Ik voelde me trots maar ook heel kwetsbaar. Ik gaf me niet zo makkelijk over maar nu had ik geen keus gehad en het voelde goed. Hij maakte er geen misbruik van en ´s middags onder het genot van een goed glas wijn kon ik hem dan ook zonder gene vertellen dat alle mannen niet deugden. Hij probeerde die uitspraak te nuanceren maar ik geloof niet dat ik daar op dat moment voor open stond.

De rest van de week bleven we met zijn drieën optrekken. Hij wist veel over de bezienswaardigheden die we bezochten. En hij hield van winkelen. Hoeveel mannen kwam je nu tegen die verstand hebben van mode en in elk geval de indruk konden wekken dat ze het niet erg vonden om winkel in, winkel uit te gaan. Op de een of andere manier vonden hij en ik elkaar steeds weer. Zij was er ook altijd bij maar ik keek er vooral naar uit om hem weer te zien.

De laatste dagen van onze reis waren we dus in Sevilla, een mooie oude stad met een lange geschiedenis. We liepen van wijk naar wijk, raakten ontroerd door de oude Joodse wijk en vroegen ons af wat er in de middeleeuwen allemaal gebeurd moet zijn met mensen die een ander geloof aanhingen. Mensen die niet katholiek waren. En toch, als je wandelt door de kathedraal die op het centrale piazza nog steeds in volle glorie staat te pronken, dan kun je niet anders dan bewondering hebben voor de onverzettelijkheid die nodig moet zijn geweest om zulke bouwwerken neer te zetten.

Onze laatste avond brak aan. Ik kwam de trap af in ons hotel in een korte, zonnige, lichtblauwe zomerjurk met spaghettibandjes. Hij maakte me een compliment, hij vond dat ik er zo mooi uit zag. Ik lachte naar hem. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik voelde me ineens zoals die jurk. Licht, luchtig en mooi! We liepen de warme nazomeravond in. Het was broeierig warm, meer dan die jurk leek ik niet nodig te hebben. We dronken veel wijn. Na een tijdje waren we de rest van het gezelschap kwijt, ik weet niet meer hoe dat kwam. Ineens liepen we in de schaduwen van de kathedraal. De kathedraal werd hier en daar verlicht door oranje schijnwerpers. Het werd wat killer. Ik kreeg het koud in mijn blote jurk. Hij sloeg zijn arm om me heen en trok me tegen zich aan. Ik begon ineens te gloeien. Ik wilde meer, meer voelen. Nog dichter liepen we langs de muren van het eeuwenoude gebouw. Er waren nissen die zo donker waren dat niemand ons meer kon zien. We stonden stil in zo´n nis waar de schijnwerpers niet konden komen. Opeens nam hij mijn gezicht in zijn handen en kuste me. Onze eerste kus. Een lieve, lichte kus. Zacht en luchtig als mijn lichtblauwe zomerjurk.

Groet,
JJ

maandag 12 oktober 2009

Fashionstory: een kakikleurig mantelpakje

Lieve lezer,

Al eerder hebben jullie kunnen lezen over welke herinneringen een bepaald kledingsstuk bij mij kan oproepen. Dit verhaal gaat over mijn allereerste mantelpakje. Voor mij is dit het meest persoonlijke verhaal dat ik tot nu toe met jullie heb gedeeld. En toch valt het me niet zwaar. Misschien schrijf ik dingen van me af om zo de ruimte te krijgen voor het schrijven van nieuwe verhalen, het optekenen van nieuwe herinneringen.


Een kakikleurig mantelpakje
Mama is dood. Het is woensdagmorgen 11 februari 1987. Om vijf uur word ik wakker gemaakt uit en onrustige slaap. Ik heb vannacht nog aan haar bed gestaan. Wist niet meer wat ik moest zeggen. Misschien hoefde ik ook wel niets meer te zeggen. Ze lag daar zo stil maar toch ook zo rustig. Ze wilde niet meer leven. Ze wilde naar de hemel, naar haar Vader, de God waar ze onomstotelijk in geloofde. Ik gunde dat haar. Ze was immers zo ziek, zo verzwakt. De kanker had haar lichaam kapot gemaakt. Maar het is toch nog onverwacht als het dan ineens zo ver is. Papa vertelt dat mama dood is. Hij huilt. Ik niet. Ik kan niet huilen, heb nooit goed kunnen huilen. Ik zie hoe hij lijdt. Wil hem troosten maar vind de woorden niet.

Het wordt licht. De dag begint. Het huis stroomt vol met familie. Veel familie. Iedereen zal het vast goed bedoelen maar ik zou het liefst alleen willen zijn. Dat gaat blijkbaar niet. Er moet veel gebeuren. De begrafenisondernemer komt binnen en even daarna de dominee. Er wordt gesproken over de tekst van de rouwkaart, de advertentie, de inhoud en de liturgie van de kerkdienst. Het is te druk om iets te voelen of om ergens over na te denken. De dag vliegt voorbij. Mama wordt aangekleed en bij ons weggehaald. Ze zal worden opgebaard in het Heer Ivo huis. Ik help mee waar ik kan. Ben blij iets te doen te hebben. De laatste weken hebben immers vooral bestaan uit wachten, wachten op een einde dat onherroepelijk zou komen. We praatten er niet veel over maar we wisten het allemaal.

Ik voel me schuldig omdat ik niet wanhopig ben van verdriet, omdat ik in staat ben allerlei dingen te regelen. Ik trek me terug op mijn kamer en huil, ik wil huilen, wil iets voelen. Diep in mijn hart voel ik intussen ook iets van opluchting. Omdat het lange wachten voorbij is. Voor haar? Voor mij? Ik zeg niet wat ik voel, bang dat men mij egoïstisch vindt.

Donderdag verloopt het zelfde als de dag daarvoor. En ik wil weg. Ik wil winkelen. Over een paar dagen wordt mama begraven en ik weet niet wat ik aan moet. Ik heb niets dat past bij wat ik voel en wat ik wil laten zien. Dat klinkt als twee totaal verschillende dingen maar zo is het niet. Ik voel me deze dagen heel erg de oudste dochter, ik wil kalmte uitstralen en voel me ook zo. Ik wil geen medelijden. Van niemand.

Ik ga alleen de stad in. Geld speelt deze keer geen rol. Ik moet iets vinden dat past bij mijn stemming. Ik kom in winkels waar ik vaker spullen koop, in winkels waar ik anders nooit kom, kortom, alle winkels die Leeuwarden heeft maar vind niets. Ik voel dat de paniek toeslaat. Dan zie ik een boetiekje in de Sint Jacobstraat, een lange, smalle winkel. Ik bekijk alles zorgvuldig en als een vriendelijke verkoopster mij vraagt wat ik nodig heb, vertel ik dat ik iets nodig heb voor een begrafenis. Ik vertel niet dat mijn moeder dood is.

Ze laat me veel spullen zien, er is niets van mijn gading bij. Dan laat ze mij als laatste een linnen kakikleurig mantelpakje zien. Een rok tot op de knie, een lang, enigszins getailleerd colbert dat over mijn heupen valt. Ik kan het eigenlijk niet betalen maar als ik het aantrek, voel ik dat het goed is. Het is stijlvol maar niet te. Zakelijk maar niet te koel. De kleur is rustig, geen zwart maar dat past ook niet bij onze familie, te dramatisch. Ik besluit het te kopen maar ik ben nog niet klaar. Ik moet er nog iets onder dragen. Het zijn immers de jaren van de blouses, hooggesloten, keurig. Ik kiest voor een zeeblauwe blouse van synthetisch materiaal. Samen met zwarte pumps en huidkleurige panty’s maakt deze aankoop het plaatje dat ik in mijn hoofd heb, compleet.

Die zaterdag, twee dagen later, hebben we mama begraven. Ik ben die ochtend vroeg opgestaan. Mijn nieuwe kleren voelden koel en schoon aan, als een veilig omhulsel. Staand voor de spiegel, voel ik me rustig worden. Ik weet dat ik het aankan. Ook deze dag kom ik door. Ik zal zijn wat ik wil zijn, niet omdat een ander dat van mij verwacht maar om wat ik van mezelf verwacht. Omdat dat is wie ik ben.

Bij de kerkdienst en de begrafenis daarna waren heel veel mensen. Ook al mijn vrienden en vriendinnen. Mensen huilden, ook mensen die haar nauwelijks hadden gekend. Ik dacht waarom huilen jullie eigenlijk, jullie kennen haar immers niet. Als er al iemand mag huilen, ben ik dat wel. Maar bij mij kwamen er nauwelijks tranen. Wel keek ik zo nu en dan naar boven en vroeg me af wat mama zou denken als ze ons allemaal zo zou zien, daar boven in de hemel. Mijn mantelpakje beschermde me, zo leek het wel.

Dat mantelpakje heb ik nog lang gedragen. Het was niet ´´besmet´´ geraakt doordat ik het tijdens de begrafenis van mijn moeder had gedragen. En hoe kon dat ook, het had me immers moed gegeven. Ook wilde ik het niet bewaren als een soort relikwie of herinnering. Ik wilde verder leven. Ik heb het dus gewoon gedragen tot het bijna versleten was. Het jasje op een spijkerbroek, het rokje met andere truitjes of blouses. Uiteindelijk heb ik het jasje weg moeten gooien. Ik droeg het toen ik mijn haar liet laten kleuren en er per ongeluk een klodder haarverf op de kraag van het jasje terecht kwam waardoor de stof onherstelbaar beschadigd werd. Niemand kon er iets aan doen maar ik ben huilend naar huis gefietst nadat ik bij de kapper vandaan kwam.

Zomer 2006.
 
Ook nu voel ik weer de emotie die hoort bij dit verhaal. En dat geeft niet. Ik was geen kind meer toen maar soms toch ook nog even wel. Of ik het goed heb gedaan? ik weet het niet maar ik weet wel dat ik nog vaak even naar boven kijk om te me er even van te vergewissen dat het goed is zo.
 
Liefs,
JJ

donderdag 1 oktober 2009

Fashionstory: een donkerbruine jurk met witte stippen

Lieve lezer,

Voor mij hoort kleding bij het leven, je kunt er mee uitdrukken wie je bent of wilt zijn en kledingstukken helpen mij herinneringen levend te houden. In deze blog die eigenlijk al ruim vier jaar oud is, neem ik jullie mee naar nu ruim zestien jaar geleden.

Een donkerbruine doorknoopjurk met witte stippen


Het moet twaalf jaar geleden zijn geweest, ik was vijfentwintig. Het was een zonnige zondagmiddag in het begin van juni. Het was rond vijf uur en het moderne kerkgebouw stroomde vol met warm goudgeel zonlicht. Ik zat met ongeveer 15 mensen vooraan in de kerk. Het was een belangrijke dag voor de Christelijk Gereformeerde Gemeente in Leeuwarden. Vijftien jonge mensen stonden op het punt belijdenis te doen van hun geloof in God. Ik zat bijna aan het eind van de rij. Ik droeg een lange, donkerbruine zomerjurk met kleine witte stipjes en een bijpassend witlinnen colbert. Een lange jurk, zonder mouwen en met een lage hals, die aan de voorkant vastgeknoopt werd met vijftien knopen. Een jurk waarin je ook goed kon knielen. Een stijlvolle en passende outfit voor een belangrijk moment in mijn leven.


Ik had er lang over gedaan om iets te kopen dat paste bij deze gelegenheid. Ik wilde uitstralen dat het doen van belijdenis voor mij geen sinecure was. Maar ook wilde ik laten zien dat ik anders was dan veel anderen. Het klinkt misschien arrogant maar ik wilde niet echt horen bij de mensen die achter mij in de kerk zaten. Ik wilde andere keuzes maken dan de keuzes die zij, volgens mij, hadden gemaakt. Ik wilde geen huisje, boompje, beestje. Ik wilde geen leven waarin alles voorspelbaar was. Ik wilde gekend worden. Ik wilde opvallen. Misschien was het niet eerlijk van mij om iedereen over een kam te scheren maar het voelde alsof zij stil waren blijven staan en ik vooruit ging. Met mijn kleding wilde ik dat uitdragen. Ik wilde laten zien dat ik stijl had en anders was! En dat was gelukt. Mijn favoriete boetiek in Leeuwarden had me niet in de steek gelaten en het Nederlandse merk Thomas evenmin. Ik voelde me goed. Dat speciale gevoel dat nieuwe kleren die echt bij je passen, je kunnen geven.


Natuurlijk ging het daar allemaal niet om. Ik stond daar om een keuze te maken voor God. Maar ook een keuze voor de Christelijk Gereformeerde kerk. Dat laatste vond ik veel moeilijker dan het eerste. Ik wist dat er iets was dat meer is dan wij kunnen bevatten. Ik wist dat er ergens een plek moest zijn waar mijn moeder naar me keek en trots op me was. Maar de kerk, dat was een ander verhaal. Ik had lang met mijn dominee gediscussieerd over de keuze voor een kerk die er opvattingen op na hield waar ik absoluut niet achter kon staan. Opvattingen over homofilie, abortus, samenwonen, de wijze waarop je je leven moet inrichten. Maar hij had mij overtuigd. Natuurlijk, de kerk was belangrijk maar uiteindelijk ging het om de keuze voor God. Nou die keuze wilde ik wel maken. Ook al had ik het ´´licht´´ niet gezien, zoals sommige anderen die naast mij in kerkbanken zaten. Maar men had mij verzekerd dat dat ook niet hoefde en dat veel mensen die al hun hele leven bezig waren geweest met het geloof, die ervaring niet hadden gehad en toch goede christenen waren geworden.


De kerkdienst begon. Vol overtuiging zong ik mee met de bekende liederen. ´´God zoekt een jeugd die strijdt´´ op de melodie van het Engelse volkslied, was het gezang dat met de meeste overgave werd gezongen. Ook ik voelde me heel sterk en vol vertrouwen toen ik dat lied meezong. Het voelde goed wat ik deed. Nadat we hadden geknield en onze gelofte hadden afgelegd, was het officieel. We waren nu volwaardige leden van de gemeente. Een persoonlijke spreuk van de dominee maakte van dit formele moment een individueel moment. Ik voelde me ook aangesproken. Alsof God zelf mijn tekst had uitgezocht: de Heer is mijn herder, hij verlaat mij niet. Alsof er altijd iemand met je meeloopt. Ik wilde dat veilige gevoel wel voor altijd vasthouden.


Onmiddellijk na dat plechtige moment kwam mijn moment. Het moment waarvoor ik me eigenlijk zo mooi had aangekleed. Ik zou op de preekstoel de geloofsbelijdenis voorlezen..Iedereen zou me zien staan. Even zou ik het middelpunt zijn. Tot dan toe had ik het altijd geweigerd, voorlezen in de kerk. Ik wilde niet het risico lopen dat ik fouten zou maken, dat ik mijn tekst niet meer zou kunnen lezen. Ik wilde niet dat mensen dachten, goh, wat sneu voor d´´r. Ik had altijd geroepen dat ik dit nooit zou doen. Maar nu was ik er klaar voor. Ik voelde me sterk. Het was voor mij niet zo maar iets. Het betekende dat ik eindelijk zo ver was, dat ik het kon, dat ik de zieligheid voorbij was. En het ging goed! Ik liep zonder aarzelen naar de preekstoel. Mijn jurk zwierde om mijn benen. Terwijl ik naar de mensen keek die voor mij zaten, zag ik ook mezelf staan. Ik zag me zelf zoals ik graag wilde zijn. Een stijlvolle jonge vrouw die haar eigen weg wilde gaan. Ik sprak duidelijk, rustig, zelfverzekerd. Natuurlijk was het niet mijn eerste keer dat ik in het openbaar moest spreken. Maar het was wel de eerste keer dat ik voor mensen stond die mij al van jongs af aan kenden. Die zich een beeld van mij hadden gevormd, zo dacht ik, dat ik met deze kleine daad van rebellie wilde doorbreken.


Of dat is gelukt, weet ik niet eens. Dat deed er ook eigenlijk niet toe. Het was immers mijn moment. Na de kerkdienst kreeg ik naast felicitaties wel veel complimenten over mijn bijdrage. Ik werd de maanden daarna dan ook steeds weer gevraagd om iets in de kerk te doen maar ik heb nooit meer ja gezegd.


Ik heb heel lang niet begrepen hoe groot mijn verbondenheid met het geloof en de kerk is geweest en nog steeds is. Ik wil er wel van loskomen maar dat zal nooit helemaal lukken. Dat hoeft ook niet, weet ik nu. Je draagt je achtergrond altijd met je mee. Je moet alleen zelf beslissen wat je er mee doet. Net zoals die donkerbruine zomerjurk tot nu toe altijd met mij mee is gegaan. Ook al draag ik hem niet meer, weggooien gaat niet. Steeds weer vind ik ´´m, ergens onderin de kast en dan voel ik me weer even zoals ik me voelde toen ik op de preekstoel stond en rondkeek ik de zonovergoten kerk.

Zomer 2005


Ik hoor graag jullie reacties en wie weet heb je ook je eigen herinneringen die je wilt delen. Ik zou met dit thema graag iets meer willen doen maar daar heb ik ook jullie verhalen voor nodig.
Liefs,

JJ

woensdag 26 augustus 2009

Fashionstory: een oranjebruin geruite overgooier

Lieve lezer,
Mijn eerste korte verhaal over een kledingstuk dat belangrijk voor mij was.

Een oranjebruin geruite overgooier.

Een zonnige zondagmiddag in 1972. Het was het jaar van de oliecrisis, gevolgd door autoloze zondagen, verordonneerd door het kabinet Den Uyl waar iedereen schijnbaar zonder morren gehoor aan gaf. Ik herinner me iets heel anders. Lege straten. Geen rijdende auto´s waarvoor je uit moest kijken. Auto´s die schijnbaar altijd te hard reden en veel te snel dichterbij kwamen. Pas veel later begreep ik dat ik die auto´s gewoon veel minder snel zag aankomen dan andere kinderen.

Zondag was een rustdag zoals dat in ons christelijk gereformeerde jargon heette. Het was een dag zonder verrassingen. ´s Morgens naar de Zondagschool in een zaaltje in het kerkgebouw. Luisteren naar een bijbelverhaal en daarna werd er geknutseld. Daarna koffiedrinken bij oma en opa of pake en beppe. Maar dat duurde nooit heel erg lang want er moest wel op tijd gegeten worden. Soep met veel te veel vermicelli en doorgekookte soepgroente, een stukje vlees en daarna Saroma pudding. ´s Middags gingen we wandelen. Naar het parkje bij de Potmarge, een kanaal dat zo vervuild was dat het niet meer schoon kan worden, of naar de Nieuwestad, de centrale winkelstraat van Leeuwarden waar je een kanon kon afschieten zonder ook maar iemand te raken. Jarenlang herhaalde dit patroon zich elke zondag. Ik wist niet beter.

Maar die zondagmiddag was alles anders. Ik was bijna vijf. Ik droeg een oranjebruin geruite overgooier met een oranje truitje en een bruine maillot. Ik had al een jaar lang mijn eerste echte brilletje met een zwart montuur en glazen als de bodems van jampotjes Ik had dat brilletje gekregen toen ik naar de kleuterschool ging. De Prinses Christinaschool, aan de overkant van de Peter Stuyvesantweg, de rondweg om Leeuwarden. De grote weg zoals wij ´m noemden. De weg die je moest oversteken via de zebrapaden of via de loopbrug! Dagelijks herhaalde dat ritueel zich, twee of vier keer per dag. Samen met een aantal andere kinderen en een moeder. Ik moest altijd goed opletten, ik zag immers niet zoveel als de andere kinderen. Vaak pakte de moeder die ons bracht mij bij de hand. Er werd op mij gelet, meer dan op de andere kinderen. Ik had daar een ontzettende hekel aan. Ik wilde net zo zijn als de andere kinderen maar ik was het niet en zou het ook nooit worden.

Ik wilde altijd veel liever over de zebra lopen dan over de loopbrug. Die brug was een stalen constructie met van die metalen trappen waarvan de treden op roosters leken. Je moest heel goed kijken, wilde je kunnen zien hoe de ene trede overging in de andere. Ik moest me stevig vasthouden om niet te struikelen. Bovenop de brug was alles anders. Je kon daar alle auto´´s onder je voorbij zien rijden, het leek alsof de wereld aan je voeten lag. Alsof je de baas kon spelen over alles wat daar beneden gebeurde. Maar dat plezier was altijd van korte duur. Er was nooit tijd om te blijven staan en nog een keertje extra te kijken naar dat wat de echte wereld leek. Spannend en onbenaderbaar.

Die zondagmiddag werd er weer gewandeld. De zon scheen. Het was heerlijk weer. In mijn oranjebruin geruite overgooier liep ik over straat met de rest van ons gezin. Mijn kleine zusje lag nog in de kinderwagen. Het leek een zondag zoals alle andere. Totdat ik die lege straten zag. Auto´s geparkeerd aan beide zijden van de straten, woonerven en parkeerhavens bestonden nog niet. Langzaam drong het tot me door. Er reed geen enkele auto op straat. Er waren alleen maar fietsers en wandelende mensen. Ik begreep niet waarom dat zo was maar vond het wel spannend.

Na een kwartiertje wandelen kwamen we bij de Grote Weg. Ik wist niet wat ik zag. Maar wat ik zag kan ik me tot vandaag de dag nog haarfijn herinneren. De weg was leeg. Een enkele fietser durfde het aan om leegheid van de weg te doorbreken. Ik stond even stil en keek om naar mijn vader. Mijn ogen stelden een stille vraag en ja het mocht! Dus ik rende de weg op. En toch deed ik dat nog niet voor eest goed om me heen te hebben gekeken. Kwam er echt niets aan? Nee! En daar ging ik. Eindelijk. Onmiddellijk ging ik midden op de weg lopen. Ik keek om me heen alsof de weg helemaal alleen van mij was. Nu was ik de baas. Ik hoefde niet meer op te letten. Even zag ik alles wat ik moest zien. Ik voelde me vrij als een vogel. Mijn oranjebruin geruite overgooier waaierde om me heen. Ik voelde de warmte van de zon op mijn gezicht. Het was alsof ze met me mee liep. Ik wilde iets doen, iets geks. Een liedje zingen. Springen. Een koprol maken. Ik deed het niet. Ik bleef wie ik was, of wie ik als vijfjarige al geleerd had te zijn. Gek doen hoorde immers niet. Stel je voor dat ik zou vallen of me pijn zou doen. Maar het borrelde! Beter gezegd het bruiste! Ik voelde van alles, maar hield veel van wat ik voelde voor mezelf. Ik wilde of kon het niet uiten. En toch kon ik het niet laten en ik begon te hollen en te zingen, zomaar voor mezelf. Midden op die weg.

En dertig jaar later bruist het nog steeds. Gevoelens van geluk of verdriet, onmacht of trots, de behoefte om je dromen achterna te gaan, om gek te doen, om dingen te doen die volgens anderen echt niet kunnen, die behoefte is gebleven. En nog steeds zing ik te weinig.

Maar ik weet nog precies hoe intens gelukkig ik me voelde toen die grote boze weg zomaar ineens van mij was. Helemaal van mij alleen, hollend en zingend In mijn oranjebruin geruite overgooier! De zon en het leven tegemoet.

JJ